een ode aan Elettaria cardamomum
Diep in het land waar de zon zacht gloeit,
waar de moesson neuriet en de aarde bloeit,
ontspruit een schat uit groene schil,
een oude geur, een stille kracht.
In peulen gehuld, als smaragd zo fijn,
met zaden verborgen als goud zo klein.
Haar adem zoet, met citrus verweven,
een kruidige vleug, een levendige geur.
Ze fluistert zacht in thee en brood,
verwarmt de ziel, verzacht de dood.
Een balsem voor hart en zinnen verweven,
een kruid van troost, een zucht van leven.
Dansende magie in wierookrook,
ze zuivert het pad, beschermt en strookt.
In dromen weeft ze wijsheid en kracht,
een gids in duister, een vuur in de nacht.
Kardemom, specerij van tijd,
van verre oorden en warme spijt.
Een geur van thuis, een oud verhaal,
een troostend lied, een taal van liefde.
